Toen ik met mijn gezin naar Ostuni in Zuid-Italië verhuisde, verwachtte ik vooral praktische problemen: een huis laten bouwen zonder te weten welk loket waarvoor diende, een aannemer vinden die daadwerkelijk kwam opdagen en leren dat ‘straks’ in Italië een filosofisch begrip is, geen tijdsaanduiding. Wat ik niet had voorzien, was dat sommige oude vrienden mij bij de emigratie administratief zouden uitwissen. Geen berichtje, geen vraag hoe het ging, zelfs geen lauwe emoji bij een foto van mijn kinderen met een ijsje. Italië was volgens hen immers een fout en extreem rechts land. En kennelijk was onze vriendschap minder duurzaam dan een politiek oordeel met de houdbaarheid van een supermarktkomkommer.
Ik wist natuurlijk dat mijn vrienden links waren. Dat vond ik doorgaans een geruststellende eigenschap, ongeveer zoals een auto met een goedgekeurde APK: je ging ervan uit dat de basis nog functioneerde. Ik wist alleen niet dat sommigen ook een abonnement hadden op morele verontwaardiging, inclusief een merkwaardige bijwerking: zodra ik zei dat de oorlog in Palestina twee kanten heeft en dat burgers aan beide kanten lijden, werd dat al als ‘te pro-Israël’ beschouwd.
Dat was blijkbaar geen nuance, maar verraad. Een vriendschap waarvan ik dacht dat die duurzaam was, bleek bestand tegen verhuizingen naar Zeeland en Noord-Brabant, corona, veranderende kapsels en zelfs slechte groepsfoto’s, maar niet tegen één zin waarin ik benadrukte dat mensenlevens geen exclusief eigendomsrecht hebben. De ironie was pijnlijk: juist mensen die zichzelf als fel tegen racisme beschouwden en zich verbonden voelden met D66 of Progressief Nederland, reageerden op mijn opmerking dat de oorlog in Palestina twee kanten heeft alsof ik een staatsgreep had aangekondigd. Dat ik daarmee volgens hen al te pro-Israël was, maakte duidelijk dat ‘kritiek op beleid’ soms een keurige jas bleek voor antisemitische reflexen — gelukkig niet bij iedereen, maar wel bij sommigen die zich graag progressief noemen. Ik ontdekte tot mijn schrik dat ‘kritiek op beleid’ soms werd gebruikt als een keurige jas voor een oude bloedhekel aan Joden. Niet bij iedereen, uiteraard, maar bij genoeg mensen om de stilte na mijn vertrek ineens verdacht luid te maken.
In Zuid-Italië bleek het leven ondertussen opvallend minder ideologisch dan in mijn oude vriendenkring. De buurvrouw vroeg gewoon of ik koffie wilde, de bakker maakte ruzie over voetbal en niemand verlangde eerst een volledig geopolitiek examen voordat ik mocht aanschuiven. Zelfs de kat van de buren had een inclusiever beleid: die negeerde iedereen zonder onderscheid.
Ik mis mijn oude vrienden soms nog. Vooral op momenten dat ik een ingewikkeld formulier moet invullen en iemand nodig heb die met veel zelfvertrouwen de verkeerde adviezen geeft. Maar ik mis vooral het beeld dat ik van hen had: ruimdenkende mensen die ruimte lieten voor twijfel, gesprek en menselijkheid. Dat beeld is inmiddels verhuisd naar Zuid-Italië. Hier schijnt de zon, duurt een lunch drie uur en mag ik zelfs zeggen dat vrede ingewikkeld is zonder meteen uit de vriendenlijst te worden verwijderd.
Joep Herni

